Gedragsverandering

Om gedragsverandering in kaart te brengen kunnen verschillende modellen worden gebruikt. Hier bespreken we kort het trans theoretische model (TTM) en het IChange-model. Het TTM is om de fase van gedragsverandering te kunnen bepalen. Het IChange-model is om verschillende gedragsdeterminanten te analyseren.

Trans theoretische model:

Dit model gaat ervan uit dat gedragsverandering op te delen is in verschillende fasen. Elke fase vergt een andere aanpak. Deze fasen zijn:

  • Precontemplatie: hierbij is er nog nooit over het gene wat zij willen veranderen nagedacht. Bijvoorbeeld iemand rookt al jaren, en er is nog nooit een gedachten geweest om te stoppen.
  • Contemplatie: hierbij is de persoon wel iets bewuster van het feit dat het huidige gedrag eigenlijk niet goed is, maar denk er nog niet aan om te veranderen.
  • Voorbereidende fase: hierbij is de persoon wel bewust geworden van het feit dat het huidige gedrag niet gezond is, en maakt zich klaar om te veranderen.
  • Actie fase: hierbij is de persoon in kwestie bezig met het veranderen van het gedrag
  • Behoud van gedrag: gedrag wordt in deze fase behouden.
  • Terugval: terugval kan tussen elke fase worden geplaatst. Iemand kan terugvallen van actie naar voorbereiding, of bijvoorbeeld van behoud naar actie.

Een ander model dat een beetje op dit model lijkt, is het model van Weinstein. Hij heeft zijn stappen meer verdeeld in bewustzijn en motivatie. Men moet zich eerst bewust worden van het gedrag (stap 1 tot en met 3) en vervolgens moet men gemotiveerd raken om te kunnen veranderen (stap 5 tot 7). Wanneer iemand wel bewust genoeg is van het probleem van het probleem, maar niet gemotiveerd zal deze persoon geen actie ondernemen.

IChange-model (De Vries, 2004)

Een model dat ingaat op de determinanten die aan de grondslag van bepaalt gedrag liggen is het IChange-model.  Dit model onderscheid de volgende factoren die gedrag kunnen beïnvloeden:

Predispositie: dit is een factor die eigenlijk niet echt te beïnvloeden is, maar waar rekening mee moet worden gehouden. Hieronder vallen sociale/culture factoren (bijvoorbeeld de rol van eten of sporten in een bepaalde cultuur), biologische factoren (geslacht/lichaamsbouw), psychologische factoren (de ene is van nature meer een sporter dan de andere) en gedragsfactoren (hoe heeft iemand zich in het verleden gedragen).

Informatie: hoe wordt de informatie overgedragen aan een persoon. Van welke bron komt het af en vertrouwt de desbetreffende bron. Wanneer iemand geen informatie van iemand wil aannemen, gaat deze persoon niet veranderen.

Bewustzijn: doormiddel van informatie en de predispositie heeft iemand een bepaald bewustzijn over bepaald gedrag. Dit bewustzijn kan beïnvloed worden door:

  • Kennis: hoe meer kennis een persoon heeft over bepaald gedrag, hoe meer deze persoon zelf de afweging kan maken.
  • Aanleiding tot: er moet voor de persoon een aanleiding zijn om zijn gedrag te gaan veranderen. Dit kan zowel een positieve of negatieve gebeurtenis zijn. Bijvoorbeeld stoppen met roken op het moment dat een kind wordt geboren, of de diagnose van diabetes type 2.
  • Risicoperceptie: ten derde is er nog risicoperceptie. Al deze 3 sub-factoren zijn natuurlijk heel erg in elkaar verwikkeld. Wanneer iemand het risico inziet, door de kennis dat persoon x heeft, kan er een aanleiding zijn tot.

Motivatie: de motivatie zorgt ervoor dat iemand een bepaalde actie kan gaan ondernemen. Door de predispositie, informatie en het bewustzijn, wordt er een motivatie ontwikkeld om bepaald gedrag te gaan veranderen. Deze motivatie kan beïnvloed worden door:

  • Attitude: de houding waarmee iemand op het veranderingsproces kijkt, de houding op het verkrijgen van informatie, de houding op veranderen. Dit kan een bepaalde weerstand bieden, waar we zo nog op terug komen.
  • Sociale invloeden: ook sociale invloeden kunnen de motivatie weer positief of negatief beïnvloeden. De sociale steun van een partner bij het stoppen met roken, of de sociale druk van een vriendengroep in de groep bij het onderhouden van roken.
  • Eigen-effectiviteit: de eigen-effectiviteit gaat over of iemand in staat is om gedrag te kunnen veranderen en of de persoon genoeg vertrouwen in zichzelf heeft om te veranderen. Gedragingen van het verleden (meerdere pogingen gedaan om te stoppen en niet gelukt), vaardigheden/kennis om te kunnen vertrouwen.

Deze factoren hebben invloed op welke fase de persoon zich in bevindt tijdens gedragsverandering. Hierbij komen we weer terug bij de fases van gedragsverandering. Of iemand van de ene fase naar de andere fase wil gaan, wordt uiteindelijk ook nog beïnvloed door de vaardigheden die een persoon heeft en tegen welke barrières een persoon allemaal aanloopt tijdens gedragsverandering. Barrières kunnen bijvoorbeeld tijd, geld of stress zijn.

Bronnen

  1. De Vries, M. (2004). IChange-model
  2. Prochaska, J. O., Redding, C. A., & Evers, K. E. (2008). The Transtheoretical Model and stages of change [afbeelding]. In K. Glanz, B. K. Rimer, & K. Viswanath (Eds.), Health behavior and health education: Theory, research, and practice (4th ed., pp. 97–121). San Francisco: Jossey-Bass.