Wij adviseren personal trainers om de onderstaande informatie met deelnemers te bespreken.
Deelnemers die SU-derivaten gebruiken adviseren wij een glucosedagboekje bij te houden. De deelnemers prikken dan de eerste drie werken vier keer per dag. Vervolgens noteren deelnemers hun glucosewaarde in het glucosedagboekje.
Wij adviseren deelnemers om voorafgaand aan de start van het trainingsprogramma een sportkeuring te ondergaan. Controleer bij de kennismaking of de deelnemer bewegingsbeperkingen heeft en/of blessures. Als dit het geval is moet hier een aantekening van gemaakt worden. Tevens dient dit met eventuele andere trainers besproken te worden, zodat ook zij hier alert op zijn tijdens de trainingen. Een rapportage over de eventuele bewegingsbeperking aan de hoofduitvoerder van de leefstijlaanpak wordt aanbevolen.
Wees alert op het optreden van hypo’s bij deelnemers met diabetes (zie volgende pagina voor toelichting).
De deelnemers dienen een warming up van vijf tot tien minuten te doen alvorens zij aan het trainingsschema beginnen. De deelnemers en personal trainers zijn vrij om een warming up methode te kiezen. Als de deelnemer de warming up op de fiets of loopband doet moeten de trainers er alert op zijn dat de deelnemer ook zijn/haar bovenlichaam opwarmt. Dit kan bijvoorbeeld door enkele cirkels te draaien met hun schouders en hun armen. Tijdens de eerste training bepaalt de trainer de weerstand voor de warming up. De warming up is bedoeld om de spieren op te warmen en de doorbloeding te verhogen.
Het trainingsschema bevat tien progressieve krachtoefeningen gericht op alle grote spiergroepen (in benen, rug, borst, schouders, buik en bovenarmen) en een cardiopulmonale oefening. Deelnemers met weinig ervaring hebben eerst een gewenningsfase van 1 tot 2 weken nodig om bekend te raken met de oefeningen.In de gewenningsfase wordt voor de afzonderlijke oefeningen de maximale belasting voor 1 herhaling geschat aan de hand van de belasting bij 4 tot 7 maximale herhalingen. Hiervoor wordt een tabel gebruikt die de belasting van de oefening koppelt aan het aantal herhalingen.Na de gewenningsfase worden de krachtoefeningen uitgevoerd op 60% van het 1-herhalingsmaximum (1-RM). In de 2e maand wordt de intensiteit van de oefeningen verhoogd tot 70%, en in de laatste maand tot 80% van het 1-RM. Het aantal sets wordt aangepast aan de individuele progressie van de deelnemer en kan variëren van 1 tot 3 sets. Bij 60% van het 1-RM worden 20 herhalingen gedaan, bij 70% van het 1-RM 10-15 herhalingen en bij 80% van het 1-RM worden 8-10 herhalingen gedaan. Na de krachtoefeningen voeren de deelnemers een cardiopulmonale oefening uit gedurende 10 tot 15 minuten, bijvoorbeeld op de fietsergometer. Tijdens de eerste 2 weken starten de deelnemers op 50% van hun maximale werkcapaciteit. De werkcapaciteit kan bepaald worden met een zogenaamde ‘steep ramp test’ (Praet et al., 2009). De steep ramp test is een korte maximale inspanningstest die wordt uitgevoerd op een geijkte fietsergometer om de aerobe capaciteit te meten. De weerstand wordt tijdens de test in een korte tijd snel verhoogd, met 25 watt per 10 seconden, tot uitputting van de deelnemer. Het maximale vermogen dat 10 seconden volbracht wordt is de maximale werkcapaciteit.
Vanaf de 3e week starten deelnemers met High Intensity Interval Training (HIIT) op 70% van hun maximale werkcapaciteit. De intensiteit wordt in de 2e maand verhoogd naar 90%, en eindigt op 110% van de maximale werkcapaciteit. De intervallen duren 30 seconden en worden gevolgd door 60 seconden actieve rust. Het aantal intervallen varieert 4 tot 8, afhankelijk van de individuele voortgang van de deelnemer.
Een hypo, ook wel hypoglykemie, betekent dat men een te lage bloedsuikerspiegel heeft. Een hypo heeft effect op het gehele lichaam. Deelnemers met DM2 die gaan sporten hebben een verhoogde kans op het krijgen van een hypo tijdens of net na de training. Dit is te verklaren doordat men door sporten gevoeliger wordt voor insuline waardoor glucose gemakkelijker uit het bloed wordt opgenomen. De trainers moeten extra alert zijn op deelnemers die SU-derivaten gebruiken. Zij hebben een hogere kans op het krijgen van een hypo, omdat deze medicijnen over het algemeen langduriger werken dan metformine.
– bleek zien
– zweten
– wazig zien
– trillen
– vermoeid gevoel
– duizeligheid
– hoofdpijn
– hongerig
– Bloedsuikerspiegel <4,0 mmol/liter
Zie Beslisboom “hypo”.