Sarcopenie

Wat is sarcopenie?

Verlies van spiermassa en kracht hoort bij veroudering. In deze figuur is het verloop van de spiermassa en kracht tijdens een mensenleven te zien. Op een bepaald moment kan zowel het verlies van spiermassa als spierkracht een klinische grens overgaan, wat eerst leidt tot verminderd fysiek functioneren en daarna tot invaliditeit.

Sarcopenie is de term die gebruikt wordt voor deze leeftijdsgebonden afname van de spiermassa. Dit verlies van skeletspieren begint rond de leeftijd van 30 jaar, neemt toe met de leeftijd en kan verergeren door ziekte, ondervoeding en inactiviteit. Een belangrijk gevolg van spiermassaverlies is het verlies van spierkracht. Spierkracht is dan ook de primaire parameter van sarcopenie. Sinds 2016 is sarcopenie opgenomen in het International Classification of Diseases (ICD-10) systeem en heeft het een eigen code (M62.84).

Definities

Sarcopenie is een progressieve en gegeneraliseerde skeletspieraandoening die wordt geassocieerd met een verhoogde kans op nadelige uitkomsten, waaronder vallen, fracturen, lichamelijke beperkingen en sterfte. In 2018 adviseert de EWGSOP2-richtlijn lage spierkracht als de primaire parameter van sarcopenie; spierkracht is momenteel de meest betrouwbare maat voor spierfunctie. De diagnose sarcopenie wordt bevestigd door de aanwezigheid van een lage spierkwantiteit of -kwaliteit. Wanneer zowel lage spierkracht, lage spierkwantiteit/kwaliteit, als lage fysieke prestaties worden vastgesteld, wordt sarcopenie als ernstig beschouwd.

Dynapenie is een leeftijdsgebonden verlies van uitsluitend spierkracht.

Frailty is een multidimensioneel geriatrisch syndroom waarvan de pathogenese zowel fysieke als sociale aspecten omvat en dat gekenmerkt wordt door een cumulatieve afname van verschillende fysiologische processen en functies. Sarcopenie is een aandoening die deel uitmaakt van dit geriatrisch syndroom.

Gevolgen van sarcopenie

De gevolgen van sarcopenie bij ouderen zijn ernstig en hebben een grote impact op het dagelijks functioneren: het risico op vallen en fracturen is verhoogd, het vermogen om dagelijkse activiteiten uit te voeren is verminderd, er is een associatie met vaker optreden van hartaandoeningen, ademhalingsaandoeningen en cognitieve stoornissen, het leidt tot mobiliteitsstoornissen en een verminderde levenskwaliteit, verlies van onafhankelijkheid, een grotere kans op overlijden en hogere zorgkosten.

Hoe vaak komt sarcopenie voor?

De prevalentie van sarcopenie is zeer variabel, met een prevalentie van 1-29% bij thuiswonenden, 14-33% in de ouderenzorginstellingen en ongeveer 10% in het ziekenhuis. De brede range in prevalentiecijfers komt doordat er in de onderzoeken verschillende methoden en afkappunten zijn gebruikt om de spiermassa, spierkracht en fysieke prestaties te beoordelen. Deze onduidelijkheid over welke variabelen te meten, hoe ze te meten, welke afkappunten het beste de diagnose en behandeling sturen, en hoe de effecten van therapeutische interventies het beste te evalueren veroorzaakt dat het regelmatig over het hoofd wordt gezien en onderbehandeld is.

Diagnostiek

Stap 1: screening

Screening op het risico op sarcopenie gaat vooraf aan diagnostiek van sarcopenie. Daarvoor wordt de SARC-F vragenlijst geadviseerd. Dit is een vragenlijst met vijf items die een patiënt samen met een zorgverlener of zelf kan invullen. De antwoorden zijn gebaseerd op de perceptie van de patiënt van zijn of haar beperkingen in kracht, loopvaardigheid, opstaan uit een stoel, traplopen en ervaringen met vallen.

Bij een populatie met een hoge prevalentie sarcopenie, zoals de geriatrische revalidatie, kan de screeningsstap overgeslagen worden en kan er gelijk worden gemeten. De diagnostische waarde van SARC-F, met name de specificiteit, is in deze populatie fors minder.

 

Stap 2: diagnose

De diagnostische maten voor sarcopenie zijn: lage spierkracht, lage spiermassa of spierkwaliteit en een laag fysiek functioneren. De methoden om dit te meten zijn ingedeeld in metingen voor de klinische praktijk en metingen voor onderzoek (zie onderstaande tabel). De nadruk ligt op spierkracht en de skelet- spiermassa, of nog liever de skeletspiermassa van de benen en armen (appendiculaire skeletspiermassa). Deze figuur geeft het stroomschema voor diagnostiek, waarmee onderscheid wordt aangebracht tussen ‘waarschijnlijk sarcopenie’, ‘sarcopenie’ en ‘ernstige sarcopenie’.

Methoden voor de klinische praktijkMethoden voor onderzoek
Screening
SARC-F
SpierkrachtHandknijpkracht (mannen < 27 kg en vrouwen < 16 kg) Zit-sta-test vanuit stoel (> 15 sec voor 5x opstaan)

 Spiermassa en spierkwaliteit

Appendiculaire skeletspiermassa (ASM):

Mannen < 20 kg Vrouwen < 15 kg

Appendiculaire skeletspiermassa Index (ASSMI) = ASM/lengte2: Mannen < 7,0 kg/m2 Vrouwen < 5,5 kg/m2

DEXA (meting van appendiculaire skeletspiermassa (ASM))

BIA (schatting van de totale skelet- spiermassa (SMM) of de ASM*)

Kleuren van de spiermassa op een dwarsdoorsnede MRI of CT-scan

 Kleuren van de SMM van het hele lichaam of ASM met MRI

Kleuren cross-sectioneel oppervlak van mid-dijbeen of het lumbale wervelniveau met CT-scan of MRI

Spierkwaliteit met spierbiopt, CT, MRI of Magnetic Resonance Spectroscopy (MRS)

 Fysiek functioneren

 Loopsnelheid (≤ 0,8 m/sec)

Short Physical Performance Battery (SPPB) (≤ 8 punten)

Timed up and go (TUG) (≥ 20 sec)

400 meter looptest (niet afgemaakt of ≥ 6 minuten)

* Berekend met de Sergi-formule: appendiculaire skeletspiermassa (ASM) (kg) = -3,964 + (0,227 x Resistance Index) + (0,095 x gewicht) + (1,384 x geslacht (man = 1, vrouw = 0)) + (0,064 x Reactance).

 

Behandeling van sarcopenie

De Belgische Vereniging voor Gerontologie en Geriatrie (BSGG) heeft in 2020 een richtlijnen voor de preventie en behandeling van sarcopenie gepubliceerd. Op basis van systematisch onderzoek van de medische literatuur hebben ze aanbevelingen gedaan voor de behandeling van sarcopenie op gebied van beweging, voeding en farmacologie.

Beweging

Aangezien sarcopenie alle skeletspieren in het lichaam aantast, wordt aangeraden om de grote spiergroepen te trainen in een totale lichaamsaanpak. Er zijn aanwijzingen voor een positief en significant effect van weerstandstraining op spiermassa, spierkracht en fysieke prestaties. Voor maximale krachttoename wordt een weerstandstrainingsprogramma met hoge intensiteit aangeraden (d.w.z. 80% 1RM). Een lichte weerstandstraining (≤50% 1RM) kan ook voldoende zijn om krachttoename te bewerkstelligen. Daarbij worden de volgende trainingsparameters aangeraden: 1-4 sets van 8-15 herhalingen gedurende 2-3 trainingsmomenten per week.

Een combinatie van weerstandstraining, wandelen, aërobe training, balanstraining en andere soorten training en spierweerstandstraining met instandhouding van de arteriële bloedtoevoer en beperking van de veneuze bloedafvoer van de getrainde spier kunnen ook worden overwogen. Aangezien de meerderheid van de in de review opgenomen studies over deze laatste vorm van training niet rapporteerde over de aan- of afwezigheid van bijwerkingen, is de aanbeveling dat dit type training wordt uitgevoerd onder begeleiding van een getrainde trainingscoach.

De basis is de Nederlandse beweegrichtlijn voor volwassenen en ouderen:

  • Bewegen is goed, meer bewegen is beter.
  • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen.
  • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
  • En: voorkom veel stilzitten.

Voeding

Voldoende eiwit, gecombineerd met weerstandstraining wordt aanbevolen om de spiermassa en spierkracht te vergroten. Dit wordt met name aangeraden voor personen met obesitas en moet minstens 24 weken worden uitgevoerd om optimale resultaten te bereiken. Daarnaast is er bewijs (gradatie 3) beschikbaar om leucinesuppletie aan te bevelen, aangezien het een significant effect heeft op de spiermassa bij personen met sarcopenie.

Een gevarieerde voeding volgens de richtlijnen, vormt de basis voor een adequate eiwitinname. De meest recente richtlijnen ondersteunen in aanvulling hierop een eiwitinname die voor ouderen hoger is dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor gezonde volwassen, namelijk niet 0,8 g/kg lichaamsgewicht/dag, maar 1,0-1,2 kg eiwit/kg lichaamsgewicht voor gezonde ouderen, 1,2-1,5 g/kg lichaamsgewicht voor kwetsbare ouderen en 1,5-2,0 g/kg lichaamsgewicht voor ernstig zieke of ondervoede ouderen, met bij voorkeur 25-30 g eiwit per maaltijdmoment.

 

Farmacologie

Er kunnen alleen aanbevelingen worden gedaan voor ouderen in het algemeen omdat bij de meeste studies geen informatie werd gegeven over de sarcopeniestatus van de onderzoeksgroep. De volgende zwakke aanbeveling op basis van zwak bewijsmateriaal kon worden gegeven: Vitamine D – vooral bij oudere vrouwen met lage uitgangsspiegels (< 25nmol/L) – en testosteron – bij oudere mannen met lage uitgangsspiegels (< 200-300ng/dL) en klinische spierzwakte – kunnen in de klinische praktijk toegepast worden om de spiermassa, spierkracht en/of fysieke prestaties te verbeteren. Er is onvoldoende bewijs om andere farmacologische interventies in de klinische praktijk te rechtvaardigen.

Meer informatie over sarcopenie

Skeletspieren en veroudering

Om het verlies van skeletspierprestatie bij veroudering beter te begrijpen, hebben Michael Tieland, Inez Trouwborst en Brian Clark in 2018 een overzicht gepubliceerd van de onderliggende mechanismen die geassocieerd zijn met skeletspierprestatie bij ouderen. Op deze pagina geven we de belangrijkste punten uit dit overzicht weer.

Onze projecten op gebied van voorkomen en behandelen van sarcopenie