Optimaliseren van voedingszorg voor oudere volwassenen met ondervoeding en sarcopenie, van het ziekenhuis naar thuis
Promotie Carliene van Dronkelaar – 17 juni 2026Ondervoeding ontstaat wanneer iemand meer voedingsstoffen nodig heeft, maar te weinig of niet de juiste voeding binnenkrijgt. Dit kan zich uiten in onbedoeld gewichtsverlies, een lage BMI of een lage spiermassa, vaak in combinatie met een verminderde voedingsinname, verminderde opname van voedingsstoffen of een verhoogd verbruik door ziekte. Sarcopenie betekent verlies van spiermassa en spierkracht dat optreedt bij het ouder worden. Beide aandoeningen delen het symptoom ‘lage spiermassa’ en kunnen elkaar versterken: wie weinig eet en weinig beweegt, verliest spieren; wie spieren verliest, wordt zwakker, minder zelfstandig en gaat vaak nog slechter eten. Zo ontstaat een vicieuze cirkel, zeker tijdens en na een ziekenhuisopname.


Met het ouder worden nemen spiermassa en spierkracht geleidelijk af. Vanaf een bepaald moment leidt dit tot fysieke beperkingen, zoals moeite met traplopen of opstaan uit een stoel. Een ziekenhuisopname kan dit proces versnellen, waardoor terugkeren naar het oude niveau van functioneren niet altijd lukt. De belangrijkste behandeling voor ondervoeding en sarcopenie is de combinatie van goede voeding en voldoende beweging, ondersteund door diëtisten en fysiotherapeuten. Die “gouden combinatie” vormt de rode draad in het proefschrift.
De problematiek wordt concreet gemaakt aan de hand van Ruud, een 74-jarige man die jarenlang fanatiek bokstrainer was, maar nu kwakkelt met zijn gezondheid. Door een hartziekte is hij sneller moe, beweegt hij minder en heeft hij minder eetlust. Wanneer hij in het ziekenhuis wordt opgenomen vanwege vochtophoping, wordt hij gescreend op ondervoeding met een van de gebruikelijke vragenlijsten. Onderzoek naar deze screeningsinstrumenten laat zien dat ze lang niet altijd de juiste patiënten herkennen: in 32–68% van de gevallen wordt ondervoeding gemist. Dat betekent dat een grote groep patiënten mogelijk niet op tijd de voedingszorg krijgt die nodig is.


Een belangrijke pijler in de behandeling van patiënten als Ruud is voldoende eiwitinname. Uit analyses van gegevens van bijna 340.000 ondervoede patiënten in Nederlandse ziekenhuizen (2008–2019) blijkt dat dit in de praktijk lastig is. Slechts in ongeveer 20% van de ziekenhuizen lukte het patiënten om op dag vier van de opname voldoende eiwitten te eten. Verminderde eetlust hangt bovendien samen met een lagere spierkracht en een slechter fysiek functioneren, wat het risico op sarcopenie en blijvende beperkingen na ontslag vergroot.
Om de zorg voor deze kwetsbare groep te verbeteren, is de ProIntens-studie opgezet. In deze studie kregen oudere patiënten met ondervoeding en een verhoogd risico op sarcopenie intensieve begeleiding waarin voeding en beweging werden gecombineerd, niet alleen tijdens de ziekenhuisopname maar juist ook in de drie maanden na ontslag. De interventiegroep kreeg extra diëtistische begeleiding, met onder meer huisbezoeken, kennisclips, de EiFIT-app om de voedingsinname bij te houden en een informatiemap met eiwitrijke recepten, een persoonlijk oefenschema en uitslagen van metingen. Diëtisten konden daarnaast gebruikmaken van extra middelen, zoals eiwitrijke poeders.


In totaal namen 76 patiënten deel aan ProIntens. Zowel in de interventie- als in de controlegroep gingen patiënten vooruit in fysiek functioneren en nam de eiwitinname toe. De gemiddelde SPPB-score (een maat voor fysiek functioneren) steeg van 6 naar 8,7 punten en de eiwitinname van 0,7 naar 1,0 g/kg. Toch bleven veel patiënten drie maanden na ontslag in de gevarenzone voor het ontwikkelen van blijvende fysieke beperkingen. Er werd geen significant verschil gevonden tussen de groepen, vooral omdat de studie te klein was: er waren 125 deelnemers per groep nodig, maar uiteindelijk deden er 38 per groep mee.
De studie maakte duidelijk hoe moeilijk het is om kwetsbare ouderen langdurig te betrekken bij onderzoek. Patiënten waren vaak complex ziek, extreem vermoeid en kregen veel zorg tegelijkertijd. Sommigen wilden pas op een later moment instromen of vonden het onderzoeksprotocol te belastend. Deze ervaringen bleken internationaal herkenbaar. Dit leidde tot een raamwerk met aanbevelingen om voedingsonderzoek bij kwetsbare patiënten flexibeler en beter passend bij de klinische praktijk te maken, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor later instromen, minder bezoekmomenten en betere aansluiting tussen zorg en metingen.


Naast eiwit werden ook andere voedingsstoffen onderzocht die mogelijk een rol spelen bij het voorkomen of behandelen van sarcopenie. Vanuit de biologie zijn er aanwijzingen dat verschillende mineralen en micronutriënten invloed kunnen hebben op spiermassa en spierkracht. Systematische reviews laten echter alleen consistent bewijs zien voor een verband tussen calcium, magnesium en selenium en spiermassa en/of spierkracht. In een update vijf jaar later werd vooral de rol van magnesium en selenium opnieuw bevestigd; voor andere voedingsstoffen is het wetenschappelijke bewijs nog onvoldoende.
De kernboodschap van het proefschrift is duidelijk: vroege herkenning van ondervoeding en sarcopenie is essentieel voor beter herstel van oudere patiënten. Goede voeding in combinatie met voldoende beweging is de gouden combinatie, maar krijgt in de dagelijkse zorg nog te weinig prioriteit. Herstel is geen rechte weg en zeker niet het werk van één zorgverlener; het is een gezamenlijke reis, waarin screening, tijdige behandeling en nauwe samenwerking tussen zorgprofessionals het verschil kunnen maken.

